Beter af?

Dit essay was mijn antwoord op een tentamenvraag van de studie filosfie: Bespreek naar aanleiding van de tekst ‘Unspeakable Conversations’ in de New York Times de stelling van Hariet McBryde Johnson, dat het fenomeen ‘being worse off’ een fundamentele herbezinning verdient.

Stel dat u een kind kunt krijgen met de aandoening ALS. Het kind zal waarschijnlijk eindigen in het locked-insyndroom, waarbij iemand alleen met de buitenwereld kan communiceren door te knipperen met de ogen. Bewegen is niet mogelijk, louter waarnemen. U heeft de mogelijkheid om het te aborteren, als u vindt dat het kind waarschijnlijk beter af is door niet te leven. Wat doet u?

Harriet McBryde Johnson was een Amerikaanse advocate die zich hard maakte voor de rechten van gehandicapten. Ze betoogde dat we niet kunnen bepalen wat slechter af zijn precies betekent in het geval van baby’s met een ernstige, degeneratieve aandoening. Zelf had ze een neuromusculaire aandoening die ze nooit heeft willen laten diagnosticeren. Hoogleraar Peter Singer betoogde dat we abortus van zwaar gehandicapte embryo’s kunnen rechtvaardigen vanwege hun gebrek aan zelfbewustzijn; een embryo is nog geen persoon. Daarmee zei hij in wezen dat het leven van Johnson niet had hoeven gebeuren. Ze gingen met elkaar in gesprek.

Singer schetst de situatie waarin een gehandicapt kind onbeweeglijk op het strand zit, toekijkend hoe alle andere kinderen dollen in de branding. In zo'n situatie was het kind misschien beter af als het in een andere hoedanigheid geboren was. Johnson ergert zich aan die redenering. Ze kon misschien niet veel doen, maar met de enkele zandkorreltjes die ze tussen haar vingers rolde, maakte ze zich het strand eigen. Ze was toch op het strand geweest. Wie bepaalt of iemand werkelijk beter af is, vraagt ze. Hierbij doelt ze erop dat wij ons niet volledig in haar perspectief kunnen verplaatsen om een oordeel te vellen over haar zingeving. Wij kunnen dus niet zeggen of een kind beter af is.

In het strafrecht komen we soortgelijke problematiek tegen. Wie bepaalt of iemand werkelijk een straf verdient? Doordat een rechter niet letterlijk in het hoofd van de verdachte kan kruipen, is het niet mogelijk om daadwerkelijk het kwaad van iemands intenties te beproeven. Wat voor de maatschappij een verboden drugsdeal lijkt, is voor de dader misschien een roeping om de familie te redden. Wat als een delinquent volgens zijn eigen trouw in het reine is gebleven? In hoeverre is het dan gerechtvaardigd om mensen in te rekenen?

Toch wordt regelmatig recht gesproken. De vraag om filosofische rechtvaardiging wordt namelijk niet gesteld. Men veroordeelt gewoon. Zolang de rechtsorde standhoudt, zullen gevangenissen dienstdoen als isolatiemechanisme voor types die ons niet bevallen. “L’enfers, c’est les autres”, zei Sartre over de anderen. Daarmee bedoelde hij dat anderen u met hun aanblik zullen reduceren. Het is daarbij pech dat de trouwhartige drugsdealer niet wordt begrepen door de rest van het land, waardoor hij in de boeien eindigt.

Als Johnson betoogt dat haar handicap een gelijkwaardige modus existendi is, richt ze haar kritiek op het feit dat we met een niet-invalide meerderheid hebben afgesproken wat wij in het leven de moeite waard vinden. Er is dus geen ruimte voor het perspectief van de ernstig geïnvalideerde mens, omdat voornamelijk gezonde mensen de dienst uitmaken. Zij heeft daarbij pech dat de meerderheid van de artsen het niet-geïnvalideerde perspectief heeft.

Toch is het goed dat ze haar geval bepleit. Alhoewel Sartre misschien het tegendeel beweert, geloof ik graag dat we in onze maatschappij kunnen communiceren. We hebben invloed op het handelen van anderen. Daarom heeft de verdachte in de rechtszaal het laatste woord. Johnson overtuigt mensen door te vertellen over haar perspectief. Juist daarmee bewijst ze onomstotelijk dat ze de wereld iets unieks kan brengen, zelfs als ze in onze ogen misschien slechter af is.

Meer essays