Code zwart tijdens COVID-19

Het zwarte scenario is werkelijkheid geworden. Omdat ik als arts ook een filosofische achtergrond heb, moet ik van mijn baas bepalen wie wordt opgenomen op de intensive care en wie niet. Voor mij staan twee patiënten. De een is een student Biomedische Technologie met veel talenten. Men heeft hoge verwachtingen van zijn toekomstige bijdragen aan de zorg. Hij heeft een motorongeluk gehad. De ander is een 61 jaar oude collega. Hij heeft keihard gewerkt in de coronacrisis en kan nog een hoop mensen redden. Daarvoor moeten wij hem eerst zelf redden. Medisch gezien zijn de overlevingskansen gelijk. Ik heb nog maar een bed.

Volgens de criteria van Daniel Statman is er sprake van een moreel dilemma. Het is duidelijk dat ik de enige betrokken morele agent ben. Ik zou allebei de levens moeten redden. Kiezen voor de een betekent de ander laten sterven. Elke keuze impliceert dus een handeling tegen iemand leven gericht. Statman vereist als laatste dat er geen morele overweging is die een van de levens doet prevaleren. Dit hangt af van de toegepaste theorie. Overigens vereist Statman ook dat ik mij bewust ben van deze voorwaarden.

In de deugdenethiek zal ik mij moeten gedragen zoals een goed arts betaamt. Daarom zal ik mij moeten verdiepen in de richtlijnen die de KNMG voorschrijft. Het protocol biedt in beginsel geen voorrang voor de COVID19-patiënt. Ook het ‘eigen schuld’-principe voor de motorrijder gaat niet op. Het is mogelijk om zorgmedewerkers voorrang te geven, alhoewel dit alleen kan als er “veelvuldig en risicovol contact” met COVID19-patiënten is geweest tijdens een tekort aan beschermingsmiddelen. Voor deze collega is dat niet zo geweest. Leeftijd blijft als duidelijk criterium over. Binnen de deugdenethiek voldoet het dilemma dus niet aan het laatste criterium van Statman; de jongere patiënt wordt opgenomen.

Volgens de categorische imperatief zal ik moeten handelen volgens de goede wil. In de ‘maxim’-formulering stelt Immanuel Kant: “I ought never to conduct myself except so that I could also will that my maxim becomes a universal law.” Hieruit blijkt dat ik mijn persoonlijke voorkeur voor de collega niet kan doen gelden. Kant vertelt ons helaas weinig over wat ik wel moet doen. Elk leven moet volgens hem als doel op zich en niet slechts als middel worden beschouwd. Als kantiaan zou ik dus in een waarlijk moreel dilemma zijn verzeild.

In het utilitarisme moet ik een felicifische calculus uitvoeren. Conform kwantitatief hedonisme van Jeremy Bentham: maximaliseer het geluk voor de meeste mensen. Ik mag daarbij meetellen dat de oude patiënt een collega van mij is, maar ik moet ook erkennen dat de jonge patiënt een hoop potentie voor de wereld heeft. Als ik hem laat sterven, loopt de mensheid waarschijnlijk grote uitvindingen mis. Ook speelt een rol dat de oude patiënt statistisch minder jaren gelukkig kan zijn dan de jonge patiënt. Het valt te overwegen dat ik met de jongere patiënt afspreek dat hij zijn geredde leven in het teken van utilitarisme zal zetten. In dat geval zou de jongere patiënt waarschijnlijk meer geluk op aarde brengen. Het dilemma is met enig rekenwerk oplosbaar.

Het contractualisme kijkt hoe de patiënten samen overeen zouden komen. John Ralws vraagt hun daarbij om alle particuliere belangen op zij te schuiven. Welke criteria zouden ze accepteren als ze van tevoren niet wisten in wiens situatie zij terechtkwamen? Dit noemt Rawls “de sluier van onwetendheid”. Thomas Scanlon legt meer nadruk op de menselijke drang tot redelijkheid. Voor welke criteria zouden de patiënten zich naar elkander kunnen verantwoorden? In beide varianten zou leeftijd een grote rol spelen. De toekomstige verdiensten van de jonge patiënt zijn geldig, maar ook de verleden prestaties van de oude patiënt moeten redelijkerwijs worden meegenomen. Het contractualisme vertelt ons op welke redelijke argumenten we ons kunnen beroepen, maar laat de uiteindelijke afweging onbesproken. Daarom blijft de casus voldoen aan het laatste dilemmacriterium van Statman.

Het nadeel van de kantiaanse ethiek en het contractualisme is dat het niet-aggregatieve element wordt omvat door een algemene formulering. Het gevolg daarvan is dat ik als arts-filosoof geen concrete antwoorden krijg op mijn dilemma. Toegegeven, ik verneem welke argumenten moreel valide zijn, maar niet welke afweging tussen die argumenten in dit geval het meest geschikt is.

De deugdenethiek heeft ook een niet-aggregatief element, weliswaar minder uitgesproken. Deze moraalfilosofie verschilt van de vorige twee theorieën doordat deugden concreter en tegelijkertijd diffuser worden geformuleerd. Wij zullen ons eerder wenden tot een langdurige maatschappelijke canon met bronnen in mythologie, films, de Bijbel en andere verhalen. Doordat de stelregels meer verstrooid zijn vastgelegd, hoeven we niet omwille van non-aggregatie een abstracte formulering te kiezen. De deugdenethiek is daarom de enige moraalfilosofie die niet absoluut aggregatief is en toch het dilemma kan beantwoorden.


Meer essays