Kwaad met kwaad vergelden, Kants optiek

Dit essay is geschreven in antwoord op een tentamenvraag van de studie filosofie, waarin werd gevraagd om aan de hand van Kants ethiek uit te leggen waarom verzetsstrijders in de tweede wereldoorlog worstelen met dat ze zelf ook kwaad hebben verricht.

Volgens de eerste formulering van de categorische imperatief moet men zich dusdanig gedragen dat men de gebruikte stelregel (‘maxim’) kan willen als universele wet. Men mag bijvoorbeeld niet liegen, omdat de leugen als algemeen gehanteerde stelregel het principe van communicatie contradictoir zou maken; daarmee zou de goede wil tegenstrijdig zijn.

Als voorbeeld schetst Immanuel Kant de situatie waarbij een moordenaar mij aan de voordeur vraagt waar een huisgenote zich bevindt. Als ik de waarheid spreek, zal de moordenaar naar haar kamer lopen en haar vermoorden. Het ligt voor de hand dat ik dus daarover moet liegen en zeggen dat ze buiten is. Echter, als zich in dat geval de situatie voordoet dat mijn huisgenote op eigen houtje uit het raam is geklommen en de inbreker tegen het lijf loopt, ben ik volgens Kant schuldig aan haar dood. Als ik de waarheid had gesproken, is louter de moordenaar schuldig aan haar dood. Ik heb immers volledig in overeenstemming met de goede wil gehandeld.

Met dit voorbeeld legt Kant uit waarom men geen kwaad met kwaad kan vergelden. In het genoemde artikel relateert Helga Varden dit aan een psychologisch conflict dat verzetsstrijders met zichzelf voeren. Het is duidelijk dat de Nazi's geweld gebruikten voor immorele handelingen. Tevens was het onmogelijk om dit met rechtmatige handelingen te voorkomen. Toch blijven verzetsstrijders geconfronteerd met het feit dat ze zelf ook kwade handelingen hebben verricht. Zij hebben geweld, leugens en moord moeten toepassen voor de goede zaak. De kantiaanse ethiek kan ons uitleggen waarom dat kan leiden tot een psychologische strijd over goed en kwaad.


Meer essays