Singers nat pak

In het artikel ‘Famine, Affluence, and Morality’ schetst Peter Singer de situatie van een goed geklede man die langs een verdrinkend kind loopt. Hij vraagt zich af of hij het leven van het kind moet redden ten koste van zijn dure pak. Singer concludeert dat men doorgaans geneigd is te zeggen dat de prijs van het natte pak niet opweegt tegen het leven van dat kind. Vervolgens benoemt Singer dat wij dagelijks dure kleding kopen met geld dat ook besteed had kunnen worden aan kinderen die een hongersnood sterven. Wat is in essentie het verschil?

Er valt natuurlijk op te maken dat de man bij het verdrinkende kind de enig mogelijke redder is van het kind. Het lijkt erop dat de nabijheid van een morele plicht bijdraagt aan de mate van ervaren moraliteit. Als het kind niet op het pad van de man kwam, vinden wij het minder erg als hij voor zijn kleding kiest. Omdat het utilitarisme geen onderscheid maakt tussen acute en niet-acute morele plichten (die evenveel geluk zouden opbrengen), demonstreert Singers casus dat het utilitarisme als morele filosofie afwijkt van de gangbare morele intuïtie.

De deugdenethiek, daarentegen, zou in deze casus wel overeenkomen met onze intuïtie. Als de man het verdrinkende kind redt, geeft hij blijk van moed, liefdadigheid, oplettendheid en zelfs enige rechtschapenheid. Wij kunnen niet dezelfde lof uiten over iemand die wat euro's naar een goed doel stort. Ook het gulden midden van Aristoteles' ‘Ethica Nicomachea’ pleit meer uitgesproken voor het natte pak dan voor donaties. Geen geld doneren is immers minder extreem dan een kind in de vijver laten stikken. Beide moraaltheorieën leggen uit waarom een deugdzaam man in de casus niet per se inconsequent is.


Meer essays